|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

woorden benoemen

betrekkelijk voornaamwoord

 

Een betrekkelijk voornaamwoord verzorgt de betrekking  tussen:

  • de hoofdzin (met het antecedent) en

  • de bijzin (begint bijna altijd met het betrekkelijk voornaamwoord, er kan alleen een voorzetsel voor komen)

Met andere woorden: het betrekkelijk voornaamwoord verbindt 2 zinnen met elkaar, vermengt ze haast:

De man loopt daar.      Hij is mijn vader.         De man, die daar loopt, is mijn vader.

Met die bedoelen we de man; de man noemen we daarom het antecedent.

 

De meest voorkomende betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat wie en wat

die gebruik je als het antecedent een de-woord(groep) is

          Wat moet ik met kinderen die geen ranja lusten?

dat gebruik je als het antecedent een het-woord(groep) is

          Het huis dat je daar ziet, is van mijn oom

wie gebruik je alleen als het antecedent een persoon is én het  betrekkelijk

       voornaamwoord meewerkend voorwerp is, en na een voorzetsel.

          De man wie we dat gevraagd hebben, is leraar. (wie is mv)

          De vrouw met wie hij samenleefde, is ontslagen.

wat gebruik je als het antecedent een onbepaald voornaamwoord, een telwoord of

       een hele zin is.

          Alles wat je zegt is gelogen.

          Je stinkt uit je mond, wat ik heel vervelend vind.

 

Hieronder een aantal voorbeelden waarin het antecedent dikgedrukt is en het betrekkelijk voornaamwoord schuingedrukt.

            Ik weiger iets te kopen wat ik niet eerst mag zien.

            Wat moet ik met een publiek dat nog nooit van Toon Hermans heeft gehoord?

            Ik verdien graag veel geld, wat me helaas niet lukt.

            De leraar wie/ die we veel vragen, antwoordt zelden.

            Alles wat je me geeft, bewaar ik.

 

 

Als je secuur wilt vaststellen waar een woord naar verwijst, vervang je het woord door een vraagwoord en maak je een vraag met behulp van dat stukje zin. Bij de genoemde voorbeelden krijg je als vragen:

-Wat mag ik niet eerst zien?     

-Wie heeft nog nooit van Toon Hermans gehoord?

-Wat lukt me helaas niet?

-(Aan) Wie vragen we veel?

-Wat geef je me?

En je ziet: de antecedenten rollen er zo uit.

lidwoorden
naamwoorden
werkwoorden
voorzetsel
voornaamwoorden
bijwoord
telwoorden
voegwoord

persoonlijk vnw
bezittelijk vnw
vragend vnw
aanwijzend vnw
betrekkelijk vnw
wederkerend vnw
wederkerig vnw
onbepaald vnw

 

zelf oefenen

betr vnw + antecedent