|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

woorden benoemen

bijwoord

 

Een bijwoord noemt een eigenschap van een ánder woord dan een zelfstandig naamwoord (of voornaamwoord).

Er zijn 2 grote groepen bijwoorden:

 

1. bijwoorden die ook als bijvoeglijk naamwoord voorkomen.

Een bijvoeglijk naamwoord geeft een eigenschap van een zelfstandig naamwoord: mooi en rood bijvoorbeeld. Als zo’n woord iets zegt van een andere woordsoort, dan noemen we het een bijwoord:

Hij speelt mooi piano. Mooi zegt iets over het spelen en niet over de piano, mooi is dus bijwoord.

Ik heb een mooi rode auto. Hij is verder niet om aan te zien, maar die kleur rood is fantastisch. Mooi is bijwoord

Ik heb een mooie rode auto. Mooie zegt nu wél iets over auto en is dus bijvoeglijk naamwoord.

In het Engels en in het Frans onderscheiden deze bijwoorden zich van de bijvoeglijke naamwoorden door een achtervoegsel: -(e)ment  in Frans (lent/ lentement) en –ly  in het Engels (slow/ slowly)

 

2. onveranderlijke bijwoorden

De bijwoorden uit deze groep kunnen zelfstandig bijwoordelijke bepaling zijn en zeggen dan iets over:

tijd                              nu, toen, dan, straks, gauw, binnenkort

plaats, richting             daar, opzij, rechtsaf, hier

frequentie                    soms, vaak, dikwijls, telkens

graad                          nogal, enigszins, zeer, erg

hoeveelheid                 helemaal, vrijwel, nauwelijks

ontkenning                  niet, nooit

Ook

  • signaalwoorden als: maar, slechts, zelfs, juist, ook, bovendien, echter en

  • vraagwoorden als: wanneer, hoe, waar

zijn bijwoord.

(wie(ns) wat en welke niet; dat zijn vragende voornaamwoorden)

Dit is slechts een greep uit de enorme hoeveelheid bijwoorden.

lidwoorden
naamwoorden
werkwoorden
voorzetsel
voornaamwoorden
bijwoord
telwoorden
voegwoord

 

Lesmateriaal

bijwoord of bijvoeglijk naamwoord?

bijwoord en bijvoeglijk naamwoord

zelf oefenen

bijwoord of bijv. nmw.?