Animation2.gifHet lijdend voorwerp

Vul van elke zin het lijdend voorwerp in. Je vindt dat door de vraag te stellen:
WAT + WERKWOORDELIJK GEZEGDE + ONDERWERP (een zin met naamwoordelijk gezegde heeft nooit een lijdend voorwerp).

Soms krijg je dan een antwoord waarvan je denkt: nu had ik beter WIE+WG+O kunnen vragen,
maar alleen de Wat-vraag levert waterdicht het lijdend voorwerp op.

Niet elke zin met een werkwoordelijk gezegde heeft een lijdend voorwerp. Noteer in dat geval: -
1. Pork, pork, pork, soep eet je met een lepel
lijdend voorwerp:
2. Binnen twee tellen stond hij ons voor al dat publiek het hele verhaal te vertellen.
lijdend voorwerp:
3. We gaan in de klas het interview bekijken.
lijdend voorwerp:
4. Waarom heb je niet meteen een afspraak gemaakt?
lijdend voorwerp:
5. Hij stopte de band in de recorder.
lijdend voorwerp:
6. Lastige vragen stelde de interviewer bondscoach Marco van Basten nooit.
lijdend voorwerp:
7. Waar vind ik hier de koekjes?
lijdend voorwerp:
8. De gestorven miljonair had de nierstichting in zijn testament een lekker bedragje nagelaten.
lijdend voorwerp:
9. Voor de deur stond hij midden in de nacht te huilen.
lijdend voorwerp:
10. Hij stelt soms een interessante vraag.
lijdend voorwerp: