Animation2.gifOntleden 1

Vul de gevraagde zinsdelen in. Vóór 'gezegde' vul je in of dat gezegde werkwoordelijk (ww) of naamwoordelijk (nw) is.
Heb je in een zin een zinsdeel niet, vul dan een '-' in.
Zijn er in een zin meerdere bijwoordelijke bepalingen, schrijf ze dan op in de volgorde waarin ze in de zin staan, gescheiden door een komma. En zoals altijd bij een komma, zet je die vast aan het woord ervoor en laat je de komma volgen door een spatie.
Typ dus secuur. Het zou zonde zijn als je door typefouten je score naar beneden haalt.
1. Pork, pork, pork, soep eet je met een lepel.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):
('pork, pork, pork' benoem je niet)

2. Tijdens het surveilleren peutert de leraar in zijn neus.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

3. Tegen hoofdpijn moet ik een bril dragen.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

4. Hij stopte de band meteen in de recorder.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

5. Lastige vragen stelde de interviewer me nooit.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

6. Ze zou ons morgen het adres van haar broer doormailen.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

7. Het eerste kaartje kreeg ik na de vakantie.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

8. Ik was helaas ziek tijdens de vakantie.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

9. De huisbaas hebben ze wel op tijd de kamerhuur betaald.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):

10. Morgen ga ik een zoekactie beginnen.
persoonsvorm:
onderwerp:
gezegde:
lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:
bijwoordelijke bepaling(en):