Hij (missen) de strafschop
- miste
- mistte
De keeper (verwachten) de bal links van hem.
- verwachte
- verwachtte
Het publiek (uitschelden) de speler.
- schelde de speler uit
- scheldde de speler uit
- schold de speler uit
- scholdt de speler uit
De (scoren) goals waren op slag (vergeten).
- gescoorden, vergeten
- gescoorde, vergeten
- gescoorden, vergeetten
- gescoorde, vergeetten
De spits (ontbloten) zijn bovenlichaam na zijn winnende goal.
- ontblote
- ontbloten
- ontblootte
- ontblootten
De trainer [geloven] nog steeds in de keeper.
- gelooft
- geloofd
Na vijf verloren partijen op rij [belanden] Klein Zwitserland op de laatste plaats.
- belande
- belanden
- belandde
- belandden
De consul [afgelasten] de wedstrijden voor de regio Zuid.
- gelaste ... af
- gelastte ... af
- laste ... af
- lastte ... af
Ik heb er nooit moeite mee als ik door betere tegenstanders verslagen [worden].
- word
- wordt
- worden
De [verlaten] reizigers [missen] de trein.
- verlate, misten
- verlaatte, mistten
- verlate, mistten
- verlaatte, misten
Ze [moeten] op de volgende trein [wachten].
- moeste, wachte
- moeste, wachten
- moesten, wachte
- moesten, wachten
Geruststellend om te weten dat je fietsen niet echt [verleren].
- verleerd
- verleerdt
- verleert
De speaker [ontploffen] toen hij muziek van Frans Bauer kreeg te verwerken.
- ontploft
- ontplofte
- ontploftte
Als je de A2 [verbreden] worden de files wel korter, maar ook breder.
- verbreed
- verbreedt
De [verloten] kaartjes worden morgen [bezorgen].
- verlote, bezorgd
- verlote, bezorgt
- verlootte, bezorgd
- verlootte, bezorgt
De politie [besteden] het parkeerbonnengeld aan feestelijke handboeien.
- bestede
- besteden
- besteedde
- besteedden
Slecht [verlichten] straten zijn goed voor het milieu, maar onveilig.
- verlichte
- verlichtte
- verlichten
- verlichtten
[aanbieden] oma nu eens een stoel ...
- Biedt ... aan
- Bied ... aan
Hij [racen] zonder na te denken door de oefening.
- racete
- racte
- racede
- reeste
[vinden] je niet dat hij zich enorm [aanstellen]?
- Vind, aansteld
- Vindt, aansteld
- Vind, aanstelt
- Vindt, aanstelt
[houden] hem eens in de gaten.
- Houd
- Houdt
Als je mij niet [vertrouwen], [bieden] je zelf maar op die veiling.
- vertrouwd, bied
- vertrouwt, bied
- vertrouwd, biedt
- vertrouwt, biedt
Je [vinden] je spullen bij de deur; je kunt wel gaan.
- vind
- vindt
Het leek wel of heel het Nederlandse volk de kampioenen [opwachten].
- opwachte
- opwachtte
- opwachten
- opwachtten
De verzekering [vergoeden] de schade.
- vergoed
- vergoede
- vergoedden
- vergoedt