|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

woorden benoemen

koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord is het belangrijkste werkwoord in een naamwoordelijk gezegde (ng). De meest gebruikte zijn:

            zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen

Een koppelwerkwoord koppelt het naamwoordelijk deel aan het onderwerp:

Sjannie is ziek.

(‘Sjannie’ is onderwerp, ‘ziek’ is naamwoordelijk deel van het gezegde)

          

Ajax blijft  een wereldclub.

 

Ook in een naamwoordelijk gezegde kunnen hulpwerkwoorden voorkomen. Als je het dan moeilijk vindt om vast te stellen welk van de werkwoorden het koppelwerkwoord is, kijk dan bij de manieren om het zww te vinden. Want in wezen is het koppelwerkwoord het zelfstandig werkwoord (het belangrijkste werkwoord) van een naamwoordelijk gezegde.

 

Dit laatste wordt misschien duidelijker met het volgende schema:

 

In een zin met een:

1 werkwoord =

2 of meer werkwoorden =

werkwoordelijk gezegde

zelfstandig werkwoord

zelfstandig werkwoord+

hulpwerkwoord(en)

naamwoordelijk gezegde

koppelwerkwoord

koppelwerkwoord+

hulpwerkwoord(en)

 

Je kunt koppelwerkwoorden makkelijk herkennen; je kunt ze namelijk vaak onderling vervangen:

 

Anke wordt ziek.

Anke blijft ziek.

Anke blijkt ziek.

Anke lijkt ziek.

Anke schijnt ziek.

lidwoorden
naamwoorden
werkwoorden
voorzetsel
voornaamwoorden
bijwoord
telwoorden
voegwoord

zelfstandige werkwoorden
hulpwerkwoorden
koppelwerkwoorden