Zoeken

Jongens, tis vakantie, wegwezen. (geldt ook voor leraren)


 

Betrekkelijk voornaamwoord

Een betrekkelijk voornaamwoord verzorgt de betrekking  tussen een hoofdzin  (met daarin het antecedent) en een bijzin (begint bijna altijd met het betrekkelijk voornaamwoord, er kan alleen een voorzetsel voor komen) 

Met andere woorden: het betrekkelijk voornaamwoord verbindt 2 zinnen met elkaar, vermengt ze haast:
De man loopt daar.      Hij is mijn vader.         De man, die daar loopt, is mijn vader.
Met die bedoelen we de man; de man noemen we daarom het antecedent.

De meest voorkomende betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, wie en wat

Die en dat

die gebruik je als het antecedent een de-woord(groep) is.

  • Wat moet ik met kinderen die geen ranja lusten?

dat gebruik je als het antecedent een het-woord(groep) is.

  • Het huis dat je daar ziet, is van mijn oom.
    Ik ben echt dol op het meisje dat nu binnenkomt.

Wie en wat

wie gebruik je

  1. als het antecedent een persoon is én het  betrekkelijk voornaamwoord meewerkend voorwerp is;
  2. na een voorzetsel.
  • De man wie we dat gevraagd hebben, is leraar. (wie is mv) (die wordt in deze situatie ook steeds vaker gebruikt)
  • De vrouw met wie hij samenleefde, is ontslagen.

wat gebruik je als het antecedent

  1. een onbepaald voornaamwoord is;
  2. een overtreffende trap of bijvoeglijk naamwoord met een het-woord;
  3. een hele zin is.
  • Alles wat je zegt is gelogen.
  • Het laatste wat ik wil is ruzie.
  • Het enige wat ik wil is rust.
  • Je stinkt uit je mond, wat ik heel vervelend vind.

LET OP: In het tweede geval hoor je ook vaak dat.  Zeker als het antecedent een zeer concrete invulling krijgt:

  • Het zeilschip dat nu binnenvaart, is het mooiste dat ik ooit gezien heb.

Zou je in deze zin het mooiste wat schrijven, dan verandert de betekenis van de zin. Je zou dan nog nooit iets gezien hebben wat mooier is. In het voorbeeld heb je nog nooit een mooier zeilschip gezien.

  • Het zeilschip wat nu binnenvaart... is niet correct.     Zie hierboven bij Die en dat.

BIJZONDER GEVAL

Als wat vervangen kan worden door en dat kan het zelfs concrete de-woorden als antecedent hebben:

Hij wordt advocaat, wat me een leuk beroep lijkt.
Hij wordt advocaat en dat lijkt me leuk.

Zij geeft drama, wat mijn lievelingsvak is.
Zij geeft drama en dat is mijn lievelingsvak.

We gaan naar de Veluwe, wat een mooie streek is.
We gaan naar de Veluwe en dat is een mooie streek.

Dit allemaal naast zinnen als: De advocaat die de zaak won werd meteen geschorst. De Veluwe, die in Gelderland ligt, is een mooie streek. Het lijkt er dus op dat het aanloopje vóór deze antecendenten hierboven voor het onverwachte wat zorgt.

Hieronder een aantal voorbeelden waarin het antecedent onderstreept is en het betrekkelijk voornaamwoord dikgedrukt.

Ik weiger iets te kopen wat ik niet eerst mag zien.
Wat moet ik met een publiek dat nog nooit van Toon Hermans heeft gehoord?
Iverdien graag veel geldwat me helaas niet lukt.
De leraar wie / die we veel vragen, antwoordt zelden.
Alles wat je me geeft, bewaar ik.

Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

Wie zoet is, krijgt lekkers.
Wat je van ver haalt, is goed.

Als je niet goed oplet, zou je Wie en Wat  hierboven aan kunnen zien voor een vragend voornaamwoord. Maar je voelt wel dat deze woorden helemaal niets vragen. Het bijzondere aan deze woorden is dat ze eigenlijk een antecedent én betrekkelijk voornaamwoord in één zijn. Met Wie  bedoel je Degene die ,  met Wat  bedoel je Datgene wat.

Vandaar zijn naam: een betrekkelijk voornaamwoord waar een antecedent in zit.


 

Antecedenten zoeken

Als je secuur wilt vaststellen waar een woord naar verwijst, vervang je het woord door een vraagwoord en maak je een vraag met behulp van dat stukje zin.

Ik weiger iets te kopen wat ik niet eerst mag zien.
Wat mag ik niet eerst zien?

Wat moet ik met een publiek dat nog nooit van Toon Hermans heeft gehoord?
Wie heeft nog nooit van Toon Hermans gehoord?

Ik verdien graag veel geld, wat me helaas niet lukt.
Wat lukt me helaas niet?

De leraar wie / die we veel vragen, antwoordt zelden.
(Aan) Wie vragen we veel?

Alles wat je me geeft, bewaar ik.
Wat geef je me?

En je ziet: de antecedenten rollen er weer uit.