Zoeken

Jongens, tis vakantie, wegwezen. (geldt ook voor leraren)


 

Voorzetsels

Een voorzetsel is een woord dat niet zelfstandig voorkomt, maar dat je (meestal) ergens vóór zet. Het hoort altijd bij een (voor-)naamwoord en is meestal het begin van een zinsdeel.

Een voorzetsels kun je bij de kooi of de vakantie zetten, waarmee het dan een compleet zinsdeel vormt.

op de kooi, in de kooi, naast de kooi, via de kooi, wegens de vakantie, tijdens de vakantie.

Gek genoeg kan een voorzetsel ook wel eens achter dat zinsdeel staan:
Hij | loopt | het park in.
Merk wel het betekenisverschil op met:
Hij | loopt | in het park.

In deze zinnen is in geen voorzetsel, maar een deel van het werkwoord inlopen:
Hij loopt zijn schoenen in.
Hij loopt de achterstand in.

Hoe kun je een voorzetsel zoal tegenkomen?

  1. Als eerste woord van een zinsdeel, meestal een bijwoordelijke bepaling, want die kooi- en vakantiewoorden geven aan waar, wanneer, waarom iets gebeurt. Het meewerkend voorwerp kan natuurlijk ook met een voorzetsel (aan of voor) beginnen.
  2. Als eerste woord van een voorzetselvoorwerp, als per se DAT voorzetsel er moet staan, een 'vast voorzetsel': houden van, verliefd zijn op, meeleven met, enzovoorts. (In KWIZL vind je oefenmateriaal voor deze vaste voorzetsels). 
    LET OP 1: De inhoud van een voorzetselvoorwerp kan vervangen worden door het woordje 'er':
    ​Ik vertrouw er nog steeds op. ('op' is wel het voorzetsel van een voorzetselvoorwerp; de handeling is vertrouwen op, alleen is de inhoud van het voorzetselvoorwerp in deze zin vervangen door 'er')
    LET OP 2: deze woorden vertaal je in andere talen vaak anders dan categorie 1. Vergelijk:
    • Hij zit op een stoel: auf einem Stuhl, sur une chaise, on a chair (allemaal letterlijk OP)
    • Hij is verliefd op Doutzen: Er ist verliebt in Heidi, Il est amoureux de Brigitte, He is in love with Tyra. (Ook zonder make-up ; )
      LET DUS ENORM OP MET VERTAALMACHINES.
  3. In een voorzetseluitdrukking, lees verder hieronder.
  4. Als losgekomen onderdeel van een werkwoord. Dit is officieel geen voorzetsel maar een stukje werkwoord. Het hoort dan ook bij het werkwoordelijk gezegde.
    inleven: Hij leeft zich in.
    meelopenZij loopt een stukje mee.

Voorzetseluitdrukkingen, gebruik met mate!

We kennen in het Nederlands veel voorzetseluitdrukkingen, vaste groepjes woorden: twee voorzetsels met een zelfstandig naamwoord ertussen, soms staat er nog een lidwoord voor dat naamwoord.
Beginnende schrijvers denken nog wel eens dat zo'n voorzetseluitdrukking intelligent overkomt. Waarschijnlijk omdat je ze in het dagelijks taalgebruik nauwelijks tegenkomt en wél vaak in officiële teksten, maar het ligt ietwat genuanceerder: Schrijvers van officiële teksten kunnen vaak niet zo goed schrijven en willen wél officieel overkomen. Die "kantoorstijl" is absoluut niet mooi en heel slecht leesbaar. Gebruik hem niet. Schrijf taal die je zelf goed begrijpt, dat maakt je tekst direct en leesbaar. Vervang voorzetseluitdrukkingen en vermijd officiëlerigheid.

  • Als gevolg van de explosie kon het festival geen doorgang vinden. - Door de explosie ging het festival niet door.
  • Op grond van jouw beperkte trainingsarbeid, kan ik je nog niet opstellen. - Omdat je te weinig getraind hebt, kan ik je nog niet opstellen.

Kun je een voorzetseluitdrukking niet vervangen, of vind je het noodzakelijk om deze te gebruiken, gebruik dan de juiste versie. Fouten die je vaker ziet dan de goede varianten:

  • *ten alle tijden  GOED: te allen tijde    BETER: altijd
  • *bij deze          GOED: bij dezen        BETER: hierbij, bij deze mail/brief

Je gaat echt af als je zo'n vaste constructie verkeerd gebruikt. 

HAARziekte

Om een of andere reden lijkt het mode te zijn om overal maar haar  te gebruiken. Het lijkt een hypercorrectie om sjiek over te komen, terwijl je natuurlijk het tegendeel bereikt: je ontmaskert jezelf als kakkineuze loser.
Doe daar niet aan mee tenzij je zeker weet dat het om een vrouwelijk woord gaat:

De regering (v) biedt haar ontslag aan.

maar:

Het parlement zwaait zijn voorzitter uit.
De raad (m) voert zijn eigen motie uit.
Rotterdam (o) steekt zijn handen uit de mouwen.

Verder