Zoeken

Veel succes met de examens!


 

De zin, leestekens

Een zin loopt van hoofdletter tot punt, vraagteken of uitroepteken. Daarna komt weer een nieuwe zin, die dan ook weer met een hoofdletter begint.

Wanneer zet je een hoofdletter?

  • Aan het begin van een zin.
  • Bij een naam, een titel (van film, boek, enz) en officiële feestdagen (Koningsdag, Kerstmis).

Wanneer zet je een punt?

Er zijn geen wetten, maar wel vuistregels:

  • In een zin doe je één mededeling over een onderwerp.
    Het is behoorlijk koud vandaag. Morgen ga ik met de bus naar school. Even bellen of Alexia dan meegaat.
  • Je kunt twee zinnen samenvoegen door een verband aan te brengen
    Het is behoorlijk koud vandaag, daarom ga ik morgen met de bus.
    Het is behoorlijk koud vandaag en morgen ga ik met de bus.
    Het is behoorlijk koud vandaag, dus ik ga morgen met de bus.
  • Je ziet tegenwoordig best vaak zinnen die beginnen met zo’n voegwoord. Dat is in formele taal niet de bedoeling: een voegwoord gebruik je om (samen) te voegen. *NIET DOEN DUS: Het is behoorlijk koud vandaag. Daarom ga ik morgen met de bus.*

Wanneer zet je een komma?

  • Als je een pauze hoort (of wilt laten horen).
  • Om te laten zien wat in een lange zin wel of niet bij elkaar hoort.

Een komma is écht een leesteken. Bij het lezen wil je op deze plaats een kleine pauze, omdat van die pauze de zin duidelijker wordt. Een pauze op een andere plaats kan een zin zelfs van betekenis laten veranderen:

  • Annet liet zich na een test door een docent, inschrijven voor een andere opleiding.
  • Annet liet zich na een test, door een docent inschrijven voor een andere opleiding.
  • Dat is een ouderwets gezellig centrum. (Het kan supermodern zijn, maar de sfeer is ouderwets gezellig)
  • Dat is een ouderwets, gezellig centrum. Het centrum zelf is nu ouderwets.

Enkele afspraken: Je zet een komma

  • om een bijstelling: Shania, de dochter van Kelly, wordt al behoorlijk groot.
  • na ‘éénwoordjes’: Jammer, ik had best meer gelust. Kees, hoe laat is het? Kortom, eten, NU!
  • in een opsomming, een rijtje: Ik hou van KFC, McDonalds, Burger King én La Place.
  • voor een voegwoord: Het is behoorlijk koud vandaag, daarom ga ik morgen met de bus. Bij ‘en’ en ‘of’ als laatste deel van een opsomming schrijf je geen komma (zie het vorige voorbeeld).
  • tussen twee persoonsvormen: Als ik naar huis ga, rijd ik door het centrum.
  • tussen twee werkwoorden die niet in hetzelfde gezegde staan: Toen ze binnen waren gekomen, liet ik me languit vallen
    Maar in dit laatste geval mag je de komma ook weglaten.

Aanhalingstekens

Aanhalingstekens zet je om gesproken taal, je haalt iemand aan, je citeert hem, je schrijft op wat iemand letterlijk heeft gezegd.

De dokter zei: “Ik word niet goed.” (dubbelepunt, aanhalingstekens, hoofdletter)
“Ik word niet goed”, zei de dokter. (de komma NA het aanhalingsteken, geen hoofdletter na het citaat)
“Ik word niet goed,” zei de dokter, “want die stank is verschrikkelijk.”  (de komma VOOR het aanhalingsteken want in het citaat staat die komma er al, geen hoofdletter bij tweede deel van het citaat)
“Ik word niet goed”, zei de dokter, “en ik ga naar huis.” (de komma NA het aanhalingsteken, want in het citaat staat geen komma, omdat ‘en’ er staat.)
“Hoe laat is het?”, vroeg Kees. (ook een komma na een vraagteken of uitroepteken)

Vuistregels

'Vuistregels' gelden vaak, maar jammer genoeg niet altijd. Het zijn dan ook geen regels.

Gaat het om spelling en kun je niet opzoeken, gebruik dan de vuistregel. Raadpleeg anders het groene boekje, een woordenboek of je tekstverwerker. 

Verder

TIPS

Maak je zinnen niet te lang. Zet op tijd een punt.

Gebruik maar één dubbelepunt per zin.

Wees zuinig met uitroeptekens! (grapje)

Wees zuinig met dubbele leestekens ?!?!?! (weer zo’n leuk grapje)

Wees zuinig met leuke grapjes. (nu is het niet leuk meer, zie je hoe goed deze tip is)

Als je iets tussen haakjes zet, moet de zin met (en zonder) het stuk tussen haakjes te lezen zijn. 
Deze is dus fout: Als je iets tussen haakjes zet, moet de zin met en (zonder) het stuk tussen haakjes te lezen zijn.

Dit geldt ook bij woorden.
Goed: medewerk(st)er, docent(e)
Fout: *leraar(es) (’*leraares’ bestaat niet), *goedkoop(e) (’*goedkoope’ bestaat niet)