Zoeken

Jongens, tis vakantie, wegwezen. (geldt ook voor leraren)


 

Bouwen met betekenissen

Op de basisschool heb je misschien al eens gehoord van de zinsdelen onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp. Meestal leerde je om ze met vraagtruukjes te vinden (Wie/Wat + van alles en nog wat). Nu moeten we het gaan snappen, zodat je ook bij het correct formuleren en bij het leren van een nieuwe taal snel snapt hoe een zin in elkaar zit.
Grammatica is bouwen met betekenissenAls je in een vreemde taal alleen de woorden kent voor hond, bijten en man, moet je iets weten van zinsbouw om duidelijk te maken dat de hond bijt of dat de man bijt: Iemand doet iets met iemand/iets. 
Je weet dog, bite, man, hoe je dan uiteindelijk tot de zin The dog is bitten by the man komt, die je bij de dierenarts (of bij de psychiater) uitspreekt, dat is een lang traject. Kennis van grammatica kan daarbij een hulpmiddel zijn.

Zinsdelen met rol, zonder voorzetsel

Het zelfstandig werkwoord bepaalt voor een belangrijk deel welke zinsdelen zonder voorzetsel in jouw zin staan. Het is 'de regisseur' van de zin.

  1. Er zijn werkwoorden die maar één zinsdeel zonder voorzetsel kunnen uitdelen, bijvoorbeeld glimmen (de kerstbal glimt) en springen (Hij springt van het dak af). Je kunt niet iets of iemand glimmen/springen. De rol die bij deze werkwoorden hoort, is het onderwerp, degene die wat doet.
  2. Werkwoorden met twee rollen zijn bijvoorbeeld slaan (Zij slaat haar broer) en vergeten (Ik ben mijn huiswerk vergeten). De rol die er nu bijkomt is het lijdend voorwerp, datgene waar iets mee gedaan wordt: haar broer wordt geslagen, mijn huiswerk is vergeten. Het lijdend voorwerp ondergaat de handeling van het onderwerp.
  3. De derde rol is mogelijk bij werkwoorden als geven (Angelina geeft Brad een kus) en afpakken (Mijn moeder pakt mij mijn mobiel af); het meewerkend voorwerp ontvangt iets of raakt iets kwijt; het lijdend voorwerp gaat van onderwerp naar meewerkend voorwerp of andersom.

Zinsdelen met rol, met (soms) een voorzetsel

  1. De 3-plaatsige werkwoorden kunnen vaak ook de woorden aan, voor (of minder vaak bij,van) voor het meewerkend voorwerp hebben, maar meestal kun je dit voorzetsel weglaten. Angeline geeft een kus aan Brad, Mijn moeder pakt van/bij mij mijn mobiel af.
  2. Het voorzetselvoorwerp (klik door)

Zinsdelen zonder rol, met en zonder voorzetsel

Als we even het beeld doortrekken van de regisseur die rollen uitdeelt, dan heb je naast alle "-werpen" nog heel veel bijwoordelijke bepalingen, die zou je het decor kunnen noemen. De bepalingen geven aan wanneer en waar iets gebeurt en wil de regisseur die vormgeven, dan doet hij wat met tijd, plaats, motieven, oorzaken en ga zo maar door. Allemaal erg belangrijk in een verhaal, maar ze spelen niet echt een rol in de handeling.

Hoe word je beter in Nederlands?

Om beter te worden te worden in Nederlands kun je het best

  • je taal bewust gebruiken;
  • letten op het effect dat jouw taalgebruik heeft op anderen;
  • de kunst afkijken bij mensen die het goed kunnen (veel lezen dus);
  • mooie producten maken;
  • veel, heel veel oefenen.

Waarom moet je beter worden in Nederlands?

Anderen willen met taal iets van je. Reclames zijn daar eerlijk over: die willen iets verkopen. Reclametéksten zijn nogal eens misleidend. Om informatie uit dat soort teksten te halen, moet je goed kunnen lezen en de informatie uit verschillende bronnen kunnen combineren tot je tevreden bent. Is de review op een vergelijkingssite bijvoorbeeld door een medewerker van het bedrijf geschreven? Tussen de regels door lezen, lezen wat er niet staat: je leert het door veel te lezen.
Je moet bijvoorbeeld beter worden in Nederlands om niet te vaak opgelicht, beduveld, misleid te worden.

Daarnaast is het fijn om op je eigen niveau te kunnen communiceren. Het zou jammer zijn als dat door je taalvaardigheid belemmerd wordt.