Zoeken

Het sabotagehulpwerkwoord al eens gebruikt?


 

Referentieniveaus

De Referentieniveaus Taal geven ons een mooi houvast om leerlijnen uit te zetten. De evenwichtige opbouw biedt alle mogelijkheden om als leraar je eigen passies te volgen en om leerlingen de kans te geven zich breed te ontwikkelen. Een goede taalgebruiker word je niet van het maken van oefeningetjes, maar van veel goede teksten lezen, veel eigen taal produceren en van inzicht in taal.

BruutTAAL doet op tal van plaatsen suggesties voor het niveau. Het is duidelijk dat een 2F-niveau van een vwo 2-leerling anders is dan dat van een student BBL niveau 3, dus als leraar heb je een belangrijke rol in het uitzetten van een uitdagende leerroute. Het open karakter van veel opgaven biedt daartoe veel mogelijkheden.

BruutTAAL onderscheidt 5 niveaus, die op onderstaande manier corresponderen met de referentieniveaus:

Niveau 1     1F basisschool, klas 1 vmbo

Niveau 2           brugklas h/v, 2/3 vmbo, 2 havo

Niveau 3     2F, 2 vwo, 3 havo, 4 vmbo, MBO niveau 2/3

Niveau 4     3F, 3/4 vwo, 4/5 havo, MBO niveau 4

Niveau 5     4F, 5,6 vwo, HBO, WO

De referentieniveaus taal, een globale beschrijving

1F

De leerling:

  • kan eenvoudige gesprekken voeren, informatie en meningen en opvattingen interpreteren voor zover deze dicht bij de leerling staan;
  • kan eenvoudige teksten over herkenbare onderwerpen zodanig vloeiend lezen dat woordherkenning en tekstbegrip de leerling niet in de weg staan;
  • kan jeugdliteratuur, waarvan de structuur eenvoudig is, belevend lezen;
  • kan korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagse onderwerpen in de vorm van een briefje, kaart of e-mail. Kan de meest voorkomende leestekens gebruiken;
  • kent woordsoorten werkwoord, zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord en lidwoord; 
  • beheerst eenvoudige werkwoordspelling en regels voor lange en korte klanken.

2F

De leerling:

  • beschikt over voldoende woorden om zich te kunnen uiten, kan redelijk en vloeiend een probleem verhelderen en kan informatie vragen, verzamelen, verwerken en geven;
  • kan instructieve teksten en betogende teksten lezen en eenvoudige adolescentenliteratuur;
  • kan de hoofdgedachte van een tekst weergeven en legt relaties tussen tekstdelen en kan die evalueren en beoordelen;
  • kan samenhangende teksten schrijven met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende en vertrouwde onderwerpen. De tekst bevat een volgorde met inleiding, kern en slot;
  • beheerst nog niet alle spellingsproblemen, heeft kennis van de lijdende, bedrijvende en vragende vorm, en beheerst moeilijke gevallen van de persoonsvorm.

Toevoeging BruutTAAL:  • heeft genoeg taalkundig inzicht om zijn Nederlands te beheersen.

3F

De leerling:

  • kan actief en effectief deelnemen aan discussies, debatten en overleg, reageert adequaat op gesprekspartners, beschikt over een goede woordenschat;
  • kan relatief complexe teksten lezen en de hoofdgedachte in eigen bewoordingen weergeven;
  • kan tekstsoorten benoemen en trekt conclusies over intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur;
  • kan adolescentenliteratuur en eenvoudige volwassenenliteratuur kritisch lezen;
  • kan met leeftijdgenoten discussiëren over de interpretatie en kwaliteit van de literaire teksten;
  • kan gedetailleerde teksten schrijven waarin informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeengevoegd en beoordeeld worden;
  • kan aantekeningen maken van een helder gestructureerd verhaal.

Toevoeging BruutTAAL: • heeft genoeg taalkundig inzicht om succesvol een vreemde taal te leren.

4F

De leerling:

  • kan in alle soorten gesprekken de taal nauwkeurig en doeltreffend gebruiken;
  • kan luisteren naar een grote variatie aan teksten;
  • kan een oordeel geven over de waarde en de betrouwbaarheid van informatie en de aanvaardbaarheid ervan;
  • kan meer complexe teksten lezen en volwassenenliteratuur, en kan de interesse in bepaalde schrijvers motiveren
  • kan goed gestructureerde teksten schrijven over allerlei onderwerpen waarbij het woordgebruik rijk is en zeer gevarieerd en de lay-out bewust en consequent is toegepast.

Toevoeging BruutTAAL: • heeft genoeg taalkundig inzicht om zelfstandig taal te bestuderen.

 

bron: www.taalenrekenen.nl oktober 2013

Dyslexie, AD(H)D

Niet iedere leerling doet evenveel opdrachten in een periode. Sommige leerlingen hebben meer tijd nodig voor een goed resultaat. Laat leerlingen zelf bepalen hoeveel ze produceren, waar ze veel aandacht aan willen besteden. Leerlingen die dat (nog) niet aankunnen moeten natuurlijk heel erg geholpen worden met aan de gang blijven. 

Als je het jezelf gunt om leerlingen te waarderen om hun talenten in plaats van ze alleen te beoordelen op hun toetsresultaten, kunnen alle dyslexieregelingen de prullenbak in.

"Een probleem is pas een stoornis als er sprake is van disfunctioneren en lijden."

Theo Doreleijers, De Volkskrant, 13-7-2013

2F, wat moet je kunnen?

Als je doorklikt zie je wat je aan het eind van de mavo, klas 3 havo, klas 2 vwo voor Nederlands zou moeten kunnen. 

Verder

3F, wat moet je kunnen?

Als je doorklikt zie je wat je voor Nederlands moet kunnen aan het eind van de havo of  klas 4 vwo.

Verder

4F, wat moet je kunnen?

Als je doorklikt zie je wat je voor Nederlands moet kunnen als je op een universiteit wilt kunnen functioneren.

Verder