|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

zinnen ontleden

persoonsvorm
onderwerp
gezegde
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
voorzetselvoorwerp
bijwoordelijke bepaling
bijvoeglijke bepaling
de samengestelde zin

 

naamwoordelijk gezegde
werkwoordelijk gezegde
de tijden

 

 

naamwoordelijk gezegde (ng)

 

Een naamwoordelijk gezegde is een gezegde, waarin  je meer te weten komt over het onderwerp. (zegt iets over het onderwerp).

Een naamwoordelijk gezegde moet altijd de volgende twee elementen in zich hebben:

  1. Een koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, blijken, schijnen, lijken) Deze werkwoorden hebben altijd iets in zich van: het ís zo of het líjkt zo.

  2. Een stukje zin dat iets zegt over het onderwerp, dat een kenmerk of eigenschap geeft van het onderwerp. In dit stukje (het naamwoordelijk deel) moet een (voor)naamwoord staan.

 

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin die bij elkaar horen + het naamwoordelijk deel.

 

Joris is al eerder ziek geweest.

(geweest komt van zijn en kán koppelwerkwoord zijn, ziek zegt iets over Joris (het onderwerp): zieke Joris en is dus naamwoordelijk deel)

Het naamwoordelijk gezegde is: is ziek geweest

(Het woordje is is in deze zin hulpwerkwoord.)

 

 

 

 

 

 

 

Let op:

Anne is thuis geweest.

 

Geweest komt van zijn, en dat kán koppelwerkwoord zijn, maar thuis is geen kenmerk of eigenschap van Anne; geweest is zww, thuis is een bijwoordelijke bepaling

 

Het werkwoordelijk gezegde is:  is geweest .