|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

zoekpagina

 

 

Lesmateriaal over voornaamwoorden:

1. getal en persoon

2. voornaamwoorden in verschillende talen

zelf oefenen

getal en persoon

personen

Voornaamwoorden worden in overzichten wel ingedeeld naar getal en naar persoon.

  • Met getal bedoelen we dan enkelvoud en meervoud.

  • De indeling in ‘personen’ heeft te maken met de communicatieve situatie; daar zijn er 3 van mogelijk:

1e persoon

Dat ben je zelf, zo praat je over jezelf. Wat voorbeelden van voornaamwoorden die daarvoor beschikbaar zijn:

enkelvoud

ik, ikke, me, mij, mijn, mezelf

meervoud

Dat is een groep waar je zelf in zit:

wij, we, ons, onze, onszelf

            2e persoon

Iemand (of iets) met wie je praat:

enkelvoud

jij, je, jou, jouw, u, uw, jezelf

meervoud

Een groep mensen met wie je praat:

jullie, je, u, uw, zich, jezelf

3e persoon

Iemand over wie of iets waarover je praat:

enkelvoud

hij, zij, ze, het, hem, haar, zijn, iemand, degene, men (grammaticaal inderdaad enkelvoud)

meervoud

Een groep over wie of waarover je praat:

zij, ze, hun, hen, elkaar, zichzelf, zich

 

Je wilt weten welke 'persoon' je onderwerp is (om te bepalen of er wel of geen t achter de stam komt):

ik  1e persoon: stam

jij  2e persoon: stam+t, behalve als jij achter die persoonsvorm staat, dan alleen de stam.

je  het klassieke instink-geval. In dictees proberen we je hiermee fouten te laten maken.

Als je nou onthoudt dat alleen bij die 2e persoon achter de pv er geen t komt, dan snap je dat je bij je broer, je zus enzovoort wél gewoon die t zet, want dat zijn 3e personen.

En bij een zin als: Jij verveelt je is je niet eens onderwerp, dus hoeven we daar al helemaal geen rekening mee te houden.