|
|
| home | zoeken | contact | lerarenkamer | 7Days | Teleblik | |
|
|
Lesmateriaal over voornaamwoorden: 2. voornaamwoorden in verschillende talen zelf oefenen |
personenVoornaamwoorden worden in overzichten wel ingedeeld naar getal en naar persoon.
1e persoon Dat ben je zelf, zo praat je over jezelf. Wat voorbeelden van voornaamwoorden die daarvoor beschikbaar zijn:
enkelvoud
ik,
ikke, me, mij, mijn, mezelf
meervoud Dat is een groep waar je zelf in zit:
wij,
we, ons, onze, onszelf
2e persoon Iemand (of iets) met wie je praat:
enkelvoud
jij,
je, jou, jouw, u, uw, jezelf
meervoud Een groep mensen met wie je praat:
jullie,
je, u, uw, zich, jezelf
3e
persoon Iemand over wie of iets waarover je praat:
enkelvoud
hij,
zij, ze, het, hem, haar, zijn, iemand, degene, men (grammaticaal inderdaad
enkelvoud)
meervoud Een groep over wie of waarover je praat:
zij,
ze, hun, hen, elkaar, zichzelf, zich
|
Je wilt weten welke 'persoon' je onderwerp is (om te bepalen of er wel of geen t achter de stam komt): ik 1e persoon: stam jij 2e persoon: stam+t, behalve als jij achter die persoonsvorm staat, dan alleen de stam. je het klassieke instink-geval. In dictees proberen we je hiermee fouten te laten maken. Als je nou onthoudt dat alleen bij die 2e persoon achter de pv er geen t komt, dan snap je dat je bij je broer, je zus enzovoort wél gewoon die t zet, want dat zijn 3e personen. En bij een zin als: Jij verveelt je is je niet eens onderwerp, dus hoeven we daar al helemaal geen rekening mee te houden. |