|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

zinnen ontleden

persoonsvorm
onderwerp
gezegde
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
voorzetselvoorwerp
bijwoordelijke bepaling
bijvoeglijke bepaling
de samengestelde zin

de samengestelde zin

 

Een samengestelde zin is een zin met 2 of meer persoonsvormen. Meestal herken je de 2 delen doordat er een komma of een voegwoord tussen staat. (Allebei kan ook).

 

nevenschikking

De voegwoorden dus of en want maar (DOEWM) zorgen voor nevenschikking: 2 zelfstandige zinnen naast elkaar; in beide delen staan persoonsvorm en onderwerp naast elkaar.

Andere voegwoorden zorgen voor onderschikking.

vergelijk:

a  Ik ga naar huis, want ik moet huiswerk maken.

b  Ik ga naar huis, omdat ik huiswerk moet maken.

In betekenis is er weinig of geen verschil, maar in zin a zie je in beide zinnen onderwerp en persoonsvorm naast elkaar staan. In zin b staat huiswerk ertussen. In zin a kún je er ook niks tussen krijgen en een lekker lopende zin overhouden. Als je een nevenschikkend voegwoord vervangt door een punt, houd je twee goede zinnen over.

 

onderschikking

Bij onderschikking heb je een hoofdzin en één of meerdere bijzinnen. Om te bepalen welk deel hoofdzin is en welk deel bijzin, volgen hier een aantal hulpmiddelen.

 

·         Een bijzin kun je vervangen door 1 woord en is altijd een zinsdeel in de hoofdzin. Een eenvoudige manier om de bijzin te vinden en te benoemen is dan ook:

    • vervang de bijzin door één woord

    • kijk welk zinsdeel dat woord nu is

voorbeeld 1:   Als je nu niet doorloopt,        krijg je een knal.

                                 Dan                              krijg je een knal.

Dan is BWB, dus Als je nu niet doorloopt is ook BWB (een 'bijwoordelijke bijzin')

 

voorbeeld 2:   Wie nu niet doorloopt,           blijft staan.

                                  Zij                                blijft staan.

Zij is onderwerp, dus Wie nu niet doorloopt  is ook O (een 'onderwerpzin')

 

·         Maak de samengestelde zin vragend; de persoonsvorm van de hoofdzin komt dan voorop te staan.

 

·         In een hoofdzin moeten pv en o naast elkaar staan; in een bijzin kan daar een zinsdeel tussen.

 

 

Ook een bijvoeglijke bijzin is mogelijk, de bijzin is dan een bijvoeglijke bepaling:

                                                    

De jongen die daar hard wegloopt,/ heeft / net / met mij / gezoend.

 

Deze bijzin begint meestal met een betrekkelijk voornaamwoord (die in dit geval), dat  betrekking heeft op het woord ervoor (in dit geval jongen.