|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

werkwoord-

spellingwelke vorm
welke schrijfwijze
bijzondere gevallen
andere moedertaal
SpelSpieker

schrijfwijze

persoonsvorm
voltooid deelwoord
volt dlw als bijv nmw
onvoltooid deelwoord
infinitief

persoonsvorm

 

De persoon van het onderwerp bepaalt de vorm van het werkwoord.

 

a          tegenwoordige tijd

Alle regelmatige Nederlandse werkwoorden houden zich aan de volgende regels:

  • Als het onderwerp ik is, schrijf je alleen de stam.

  • Als het onderwerp jij is én achter de bijbehorende persoonsvorm staat, schrijf je alleen de stam.

  • Bij alle andere onderwerpen (dus ook jij als dat vóór de persoonsvorm staat) schrijf je in het enkelvoud stam + t

  • Het meervoud ziet er altijd hetzelfde uit als de infinitief.

bijzonder geval:

In de gebiedende wijs gebruik je alleen de stam: Maak vandaag maar eens geen huiswerk.

 

b          verleden tijd

Sterke werkwoorden (die zó sterk zijn dat ze van klank kunnen veranderen) leveren over het algemeen geen schrijfproblemen op. Onthoud wel dat je in de verleden tijd nooit een extra ‘t’ schrijft. Hij *vondt is dus gruwelijk fout.

De andere (zwakke) werkwoorden hebben in de verleden tijd dezelfde stam als in de tegenwoordige tijd en houden zich aan de volgende regels:

  • Staat het onderwerp in het enkelvoud, dan komt er -te of –de achter de stam

  • Staat het onderwerp in het meervoud, dan komt er –ten of –den achter de stam

Om te bepalen of je de uitgang met een t of met een d moet nemen, zeg je het woord hardop. Je hoort dan welke letter je moet nemen.

 

De stam van een werkwoord vind je door de klank -en  of –n weg te halen bij de infinitief.

Soms moet je dan de schrijfwijze wat aanpassen.

infinitief

stam

vinden

vind

fietsen

fiets

lopen

loop

beloven

beloof

gaan

ga

De stam wordt ook wel de ik-vorm genoemd.