|  home  |  zoeken  |  contact  |  lerarenkamer  |  7Days  |  Teleblik  |

www.bruutTAAL.nl

taalbeheersing taalbeschouwing fictie woorden benoemen zinnen ontleden werkwoordspelling

zinnen ontleden

persoonsvorm
onderwerp
gezegde
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
voorzetselvoorwerp
bijwoordelijke bepaling
bijvoeglijke bepaling
de samengestelde zin

 

naamwoordelijk gezegde
werkwoordelijk gezegde
de tijden

 

 

werkwoordelijk gezegde (wg)

 

Een werkwoordelijk gezegde vertelt wat er gebeurt, wat er gedaan wordt: de handeling, een werking. Een werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die bij elkaar horen. De persoonsvorm is dus ook een onderdeel van het gezegde.

 

voorbeeld:

Je had kunnen weten dat ik weer met een samengestelde zin als voorbeeld zou komen.

gezegde 1: had kunnen weten

gezegde 2: zou komen

 

Bijzondere gevallen

Een werkwoordelijk gezegde kan uitgebreid worden met niet-werkwoorden, die vastzitten aan het zelfstandige werkwoord van het werkwoordelijk gezegde.

  • Een losgekomen deeltje van een werkwoord:

Hij  | lost  | het | op (infinitief: oplossen)

Hij  | vergist  |  zich. (infinitief: zich vergissen)

  • De niet-werkwoorden van een uitdrukking waar een werkwoord in zit.

Hij  | schiet | uit zijn slof .

(Complete werkwoordelijke uitdrukking: uit zijn slof schieten)   

  • Soms wordt het werkwoordelijk gezegde uitgebreid met te  of  aan het . Dat staat dan voor een infinitief.

Zij | zit | weer  | te schrijven.

Hij  |  is |  altijd  |  aan het lezen.